Over besluitvaardigheid als onderdeel van klinisch vakmanschap
Goede behandelaren denken zorgvuldig na. Ze verzamelen informatie, toetsen hypotheses, bespreken alternatieven en proberen recht te doen aan de complexiteit van de cliënt tegenover hen. Dat is essentieel in de specialistische GGZ.
Maar er komt ook een moment waarop verder nadenken niet automatisch tot betere zorg leidt. Dan moet er een keuze worden gemaakt. Een behandelrichting kiezen. Een hypothese als uitgangspunt nemen. Een interventie inzetten. Of juist besluiten dat iets níét passend is.
Juist die overgang van zorgvuldig nadenken naar daadwerkelijk beslissen is een belangrijk onderdeel van klinisch vakmanschap.
Complexiteit maakt bijna iedere keuze onvolmaakt
In de specialistische GGZ beschikken we zelden over alle informatie die we zouden willen hebben. Klachten overlappen. Diagnostische beelden zijn niet altijd eenduidig. Verschillende verklaringsmodellen kunnen naast elkaar bestaan. En wat voor de ene cliënt werkt, hoeft voor een andere cliënt niet passend te zijn.
Wachten op volledige zekerheid is daarom meestal geen optie. Professioneel handelen betekent niet dat onzekerheid verdwenen moet zijn voordat je een beslissing neemt. Het betekent dat je een verantwoorde beslissing kunt nemen terwijl er onzekerheid blijft bestaan.
Klinisch redeneren heeft uiteindelijk richting nodig
We hebben eerder in deze reeks geschreven over het belang van nieuwsgierigheid. Over hypotheses durven bevragen. Over niet te snel denken dat je begrijpt wat er speelt. Maar daar zit ook een andere kant aan.
Als iedere hypothese eindeloos open blijft, ontstaat er geen richting. Een behandeling heeft op enig moment een werkhypothese nodig: een voorlopig antwoord op de vraag wat er speelt, wat de klachten in stand houdt en waar de meeste kans op verandering ligt.
Niet omdat je zeker weet dat dit het definitieve antwoord is. Maar omdat je ergens moet beginnen.
Een keuze maken betekent ook iets níét doen
Iedere behandelkeuze sluit andere mogelijkheden voorlopig uit. Wanneer je besluit eerst traumagerelateerde klachten te behandelen, kies je ervoor andere thema’s niet direct centraal te stellen. Wanneer je besluit op vermijding te interveniëren, betekent dat dat je niet tegelijkertijd ieder ander patroon probeert aan te pakken.
Dat kan ongemakkelijk voelen. Zeker bij complexe problematiek, waar vrijwel altijd meerdere behandelbare thema’s aanwezig zijn. Maar zonder prioritering dreigt behandeling diffuus te worden.
Besluitvaardigheid betekent daarom ook durven kiezen waar je voorlopig níét op inzet.
Besluitvaardigheid is niet hetzelfde als eigenwijsheid
Een duidelijke klinische keuze betekent niet dat je eraan vast moet blijven houden. Integendeel.
Goede besluitvorming blijft toetsbaar. Je kijkt wat er gebeurt. Je bespreekt met de cliënt of de gekozen richting helpt. Je gebruikt uitkomsten en nieuwe informatie om opnieuw te beoordelen of de hypothese nog klopt. En wanneer dat niet zo is, stel je bij.
Een beslissing is daarmee geen eindpunt van klinisch redeneren. Het is een volgende stap erin.
Bijstellen is geen mislukking
Soms blijkt een zorgvuldig gekozen behandelrichting niet te werken. Dat kan ongemakkelijk zijn. We willen graag dat onze klinische inschattingen kloppen. Maar een behandeling bijstellen betekent niet automatisch dat de oorspronkelijke beslissing verkeerd was.
Nieuwe informatie kan leiden tot een ander perspectief. Een cliënt kan zich anders ontwikkelen dan verwacht. Of een interventie kan minder passend blijken dan vooraf gedacht.
Vakmanschap betekent dan niet vasthouden om consequent te lijken. Het betekent herkennen wanneer het tijd is om opnieuw te kiezen.
De cliënt heeft ook recht op richting
Voor cliënten kan voortdurende onzekerheid verwarrend zijn. Zij komen niet alleen om samen na te denken. Ze verwachten ook professionele richting.
Waarom kiezen we voor deze behandeling? Waar beginnen we? Wat proberen we hiermee te veranderen? En hoe weten we of het werkt?
Een behandelaar hoeft niet alle antwoorden te hebben om daar duidelijk over te kunnen zijn. Juist transparantie over wat je denkt, waarom je iets kiest en waar nog onzekerheid bestaat, kan de samenwerking versterken.
Conclusie
Goed klinisch redeneren vraagt om nieuwsgierigheid, twijfel en het vermogen om verschillende perspectieven open te houden.
Maar het vraagt óók om besluitvaardigheid. Om op basis van de beschikbare informatie een richting te kiezen. Daar vervolgens naar te handelen. En bereid te zijn die richting opnieuw te beoordelen wanneer de werkelijkheid daarom vraagt.
Misschien zit professioneel vakmanschap precies in die balans:
lang genoeg twijfelen om zorgvuldig te zijn, maar niet zo lang dat twijfel het handelen vervangt.
Hoe maak jij die afweging?
Iedere behandelaar kent situaties waarin meerdere behandelrichtingen verdedigbaar zijn en er toch een keuze gemaakt moet worden.
Wanneer weet jij dat je voldoende hebt nagedacht en het tijd is om te beslissen?
Ik ben benieuwd naar jouw ervaringen.
Werk jij als GZ-psycholoog, psychotherapeut of psychiater en krijg je energie van klinisch redeneren én de verantwoordelijkheid om keuzes te maken? Neem dan gerust eens een kijkje op www.solutalks.nl/vacatures.
Bij Solutalks ontmoeten we graag collega’s die ruimte durven laten voor twijfel, maar ook richting durven geven wanneer dat nodig is.